Arm betekent niet voor eeuwig arm: van bedelaar tot zelfbewust land

Maar liefst elf arme landen hebben hun toegang tot onderwijs en gezondheidszorg verbeterd en laten voldoende economische groei zien. Zij laten zoveel vooruitgang zien, dat ze in aanmerking komen om de lijst met ‘minst ontwikkelde landen’ te verlaten.

Door Marianne Lamers

Aan armoede is niks moois. Stel je een arm land voor en je ziet kinderen die met honger naar school gaan, áls ze al naar school kunnen. Je ziet open riolen die door de straten lopen, volledig verstopt door ronddrijvend afval. Mannen, vrouwen en kinderen hangen maar wat in het rond, omdat banen niet te vinden zijn en scholen te duur. Als je ziek wordt, heb je pech: het dichtstbijzijnde ziekenhuis is dagen lopen.

Gelukkig blijven arme landen niet voor eeuwig arm. Dat blijkt wel weer uit de lijst van minst ontwikkelde landen (LDC’s) die het Comité voor Ontwikkelingsbeleid (CDP) van de Verenigde Naties onlangs presenteerde. Dat zijn er nu 47. Al deze 47 lage-inkomenslanden lijden volgens het CPD ‘onder de meest ernstige, structurele belemmeringen voor duurzame ontwikkeling’.

Voorgangers

Maar met een aantal van deze landen gaat het beter dan voorheen: maar liefst elf landen hebben hun toegang tot onderwijs en gezondheidszorg verbeterd en laten economische groei zien. Zij laten zoveel vooruitgang zien, dat ze in aanmerking komen om de lijst met minst ontwikkelde landen te verlaten.

Deze elf waren niet de eerste die mochten promoveren: in 1994 liet Botswana zijn status als minst ontwikkeld land achter zich, in 2001 Kaapverdië, in 2011 de Malediven, in 2014 Samoa, en in 2017 Equitaroriaal Guinea. De eilandengroep Vanuatu staat gepland voor 2020 en Angola voor 2021. Sinds 1994 verlieten er dus vijf landen de lijst, maar er kwamen er ook vijf bij. Twee hiervan, Angola en Oost-Timor, staan echter op het punt om de lijst weer te verlaten.

Deze vooruitgang heeft een enorme impact op het straatbeeld: er is minder afval en er zijn meer wc’s met een betere riolering wat een enorme impact heeft op het risico om ziek te worden. Er lopen minder bedelaars rond en meer kinderen kunnen zonder honger naar school. Er hangen minder mensen zomaar in het rond; er zijn meer winkels en er is meer bedrijvigheid. Om de hoek is een betaalbare kliniek waar je naar toe kunt als je kind ziek wordt.

Moeilijke stap

Landen krijgen niet zomaar een ‘upgrade’: zo worden Bangladesh, Laos, Nepal, Oost-Timor en Myanmar over drie en over zes jaar nogmaals beoordeeld op drie criteria: het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking, in hoeverre mensen toegang hebben tot voeding, gezondheid en scholing en in hoeverre een land weerbaar is voor schokken op de financiële markten. Als de landen de komende zes jaar hun posities in alle drie de categorieën behouden, zullen ze uiteindelijk in 2024 de groep van minst ontwikkelde landen mogen verlaten.

En die stap zal niet makkelijk zijn. Voor Bangladesh bijvoorbeeld betekent dat ook de afschaffing van handelsvoordelen met Europa, die in de afgelopen decennia bijdroegen tot het exportsucces van het land. Van de Bengalese export naar de Europese Unie komt nu 98 procent zonder invoerbelastingen binnen. Als die voorkeursbehandeling vervalt, moet Bangladesh 8,7 procent belasting betalen alleen al op de Europese markt.

Enorme potentie

Abul Maal Abdul Muhith, de Bengalese minister van Financiën, is zich zeer bewust van deze toekomstige uitdaging. ‘Als je de groep LDC’s verlaat, wacht je een moeilijke weg’, zegt de 85-jarige minister tegen IPS. Hij wijst er echter ook op dat de kwestie pas over zes jaar gaat spelen, en zegt er trots op te zijn dat zijn land ‘promoveert van bedelaar naar een zelfbewust land.’

Hoeveel potentie er in minst ontwikkelde landen kan zitten bleek wel weer in 2015, toen het Centraal Bureau voor de Statistiek bekend maakte dat de Nederlandse handel met de 47 minst ontwikkelde landen ter wereld in de afgelopen jaren explosief was gegroeid. De invoer uit deze landen was vanaf 2006 verdrievoudigd, tot ruim 3 miljard euro in 2014. De uitvoer naar deze landen steeg in die periode naar 4,5 miljard euro. Volgens toenmalig minister Lilianne Ploumen lieten de CBS-cijfers zien ‘hoeveel potentie er zit in ontwikkelingslanden.’

Terug naar de vorige pagina

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten