Waarom we over acht jaar wel eens in een landmijnvrije wereld zouden kunnen leven

screen-shot-2017-12-11-at-12-27-58

Het is een ‘verschrikkelijk wapen’. Michel Uiterwaal van vredesorganisatie Pax is duidelijk over het gebruik van landmijnen: ‘Onschuldige burgers zijn acht van de tien keer het slachtoffer. En vaak zijn het kinderen, omdat zij nieuwsgierig zijn, risico’s niet kunnen inschatten of de ‘verboden toegang’-borden niet kunnen lezen. Grote stukken grond worden decennia lang totaal onbruikbaar. Bovendien is het ruimen ervan ongelofelijk arbeidsintensief. Het plaatsen van een landmijn gaat een stuk sneller.’

Minder landmijnen

Gelukkig is er ook vooruitgang te melden als het gaat om het gebruik en de opslag van het aantal landmijnen wereldwijd. Uit de Landmine Monitor 2017, het jaarlijkse rapport van de International Campaign to Ban Landmines (ICBL) dat vandaag uitkomt, blijkt dat sinds 1999 110 miljoen opgeslagen landmijnen zijn vernietigd. Het jaartal 1999 is niet geheel toevallig: dit was het jaar dat het internationale Landmijnenverdrag van kracht ging, dat twee jaar eerder werd gesloten. Sindsdien zijn 163 landen tot het verdrag toegetreden, waaronder alle landen van de Europese Unie. Lange tijd waren het er 162: vandaag werd ook bekend dat Sri Lanka toe is getreden tot het verdrag.

De lidstaten spraken met elkaar af om geen landmijnen te produceren noch te gebruiken en om alle landmijnen die zij nog in voorraad hadden, te vernietigen. Ook de landmijnen die al in de grond aan het wachten zijn op een slachtoffer, moeten volgens het verdrag geruimd worden. De rol van Pax –eveneens lid van ICBL- is om landen die nog geen lid zijn te overtuigen om zich te verbinden aan het verdrag en om staten die al wel lid zijn op te roepen om het verdrag strikt uit te voeren.

Geen luchtfietserij 

En dat gebeurt: op een enkel land na hebben twintig jaar na de ondertekening alle lidstaten van het Landmijnenverdrag hun voorraden vernietigd. Uit de landmijnmonitor blijkt bovendien dat in 2016 en 2017 weer meer landen mijnenvrij zijn geworden (Algerije en Mozambique kwamen er in 2017 bij). In 2016 werd 170 km2 land vrijgemaakt van landmijnen en werden meer dan 232.000 landmijnen en 29.000 antitankmijnen vernietigd – een aanzienlijke toename ten opzichte van 2015.

Ook werd afgelopen jaar een groot gat geslagen in de voorraad van landmijnen wereldwijd: in de landen die lid zijn van het Landmijnenverdrag werden 2,2 miljoen opgeslagen mijnen vernietigd. In totaal hadden landen in 1999 nog 160 miljoen landmijnen in voorraad, nu wordt dat aantal op minder dan 50 miljoen geschat. Dat zijn 110 miljoen minder landmijnen wereldwijd waarvan er  53 miljoen door lidstaten zijn vernietigd, en 57 miljoen door landen die nog niet tot het verdrag zijn toegetreden. Zelfs daar is in de laatste twintig jaar dus een enorme vooruitgang geboekt. Uiterwaal: ‘In de praktijk zie je dat landen die geen lid zijn, zich toch gaan houden aan zo’n verdrag.’

Opgeslagen landmijnen wereldwijd, voor het ingaan van het Landmijnenverdrag in 1999 (boven) en in 2014 (onder). Bron: ICBL

Opgeslagen landmijnen wereldwijd,
voor het ingaan van het Landmijnenverdrag in 1999 (boven) en in 2014 (onder). Bron: ICBL

Het uiteindelijke doel is een landmijnvrije wereld in 2025, een wens die werd uitgesproken tijdens de zogenaamde Review Conference van het Landmijnenverdrag in 2014. Uiterwaal vindt dat ‘zeer ambitieus, maar niet onhaalbaar’: ‘Het vraagt politieke wil, maar het is geen luchtfietserij.’

Negatieve uitzonderingen

Hij noemt de meer dan 160 staten die het verdrag wel hebben getekend, een ‘hoog aantal’: ‘Het is hiermee één van de breedst geaccepteerde verdragen ter wereld op het gebied van ontwapening. We hebben er nog 33 te gaan die het verdrag niet hebben getekend.’ Plekken waar nog wel mijnen worden gelegd, zoals in Yemen en Myanmar, zijn volgens Uiterwaal ook echt de ‘negatieve uitzonderingen’: ‘Juist omdat dit verdrag zo breed geaccepteerd is, is het extra ernstig wanneer deze norm wordt overtreden. Het feit dat er internationaal zoveel verontwaardiging ontstaat als het wel gebeurt, is zeer hoopgevend voor de toekomst. Het is dus van groot belang dat landen als Nederland het gebruik waar dan ook ter wereld sterk blijven veroordelen.’

Hoeveel landmijnen er wereldwijd nu precies nog liggen, is niet bekend. Helaas worden er ieder jaar door een aantal landen en partijen weer nieuwe mijnen bijgelegd: Syrië, Myanmar (beiden geen lid van het verdrag) en IS waren de boosdoeners in 2016. In 2016 vielen hierdoor -samen met gewapende conflicten in Afghanistan, Libië, Oekraïne en Jemen- meer dan 8600 slachtoffers, waarvan 2000 dodelijk. Dit waren er altijd nog minder dan 1999, het jaar waarin het landmijnenverdrag van kracht ging, maar de stijging van het aantal slachtoffers door landmijnen is zeker een zorgelijke ontwikkeling.

Ongelofelijk veel bereikt

Het is daarom extra goed nieuws dat internationale donoren in 2016 hun steun voor mijnbestrijding verhoogden. Zij doneerden in totaal 479,5 miljoen dollar aan mijnbestrijding en vernietiging van voorraden, monitoring en belangenbehartiging, slachtofferhulp en risico-educatie.

Gebruik van landmijnen wereldwijd, voor het ingaan van het Landmijnenverdrag in 1999 (boven) en in 2014 (onder). Bron: ICBL

Gebruik van landmijnen wereldwijd,
voor het ingaan van het Landmijnenverdrag in 1999 (boven) en in 2014 (onder). Bron: ICBL

Uiterwaal beseft dat er nog een heleboel moet gebeuren: ‘Het is van groot belang dat landen net als Nederland de ruiming van landmijnen blijven ondersteunen, nieuw gebruik blijven veroordelen en dat slachtoffers waar dan ook ter wereld worden geholpen en nieuwe slachtoffers worden voorkomen. Dat vergt politieke wil en een grote inzet op de lange termijn.’

Hij benadrukt om ook te kijken naar wat in twee decennia bereikt is: ‘De moderne landmijn werd voor het eerst op grote schaal gebruikt in de Tweede Wereldoorlog. Nog maar twintig jaar geleden vond een groot aantal landen dat het moest kunnen om landmijnen te leggen. Dan hebben we in de laatste twintig jaar ongelofelijk veel weten te bewerkstelligen door de voorraad met meer dan twee derde te laten slinken.’